Als een jongen zeven jaar oud was zocht zijn vader een leerplaats bij een meester. Voor deze leerplaats moest soms leergeld betaald worden, de leerling woonde bij de meester in. Na zo'n zeven jaar moest de leerling een werkstuk maken om te laten zien wat hij in die tijd geleerd had. Als het werkstuk goed gekeurd werd (door het gilde) werd hij gezel. Als gezel ging hij een klein loon verdienen. Na weer zeven jaar gezel te zijn geweest moest hij weer een werkstuk maken en dat noemde men een meesterstuk. Men kreeg dus een veertienjarige opleiding.
Vis was armenvoedsel en was goedkoop. De visser was niet rijk. Hij ving zijn vis in de binnenwateren en gebruikte hiervoor netten die hij of zijn vrouw breiden. Ook gebruikte hij fuiken die een mandenmaker vlocht van wilgentenen. De hengel was ook al bekend. Om de vis te conserveren werd de vis gerookt in de rookton, daarna verkocht hij de vis op de markt.
De hout- en beenbewerker maakte van hout en slachtafval kleine gebruiksvoorwerpen. Van been, hoorn, ivoor en gewei maakte hij haarnaalden, kammen, dobbelstenen, enz. van hout maakte hij handvatten, stelen, bekers, lepels, enz. om het hout te bewerken had hij al een trapdraaibank. Het ivoor dat gebruikt werd waren de tanden van de walrus of van de potvis.
De smid maakte van ijzer gereedschap, spijkers en het hang en sluitwerk. Op een vuur van steenkool en met behulp van een blaasbalg kon het ijzer zo worden verhit dat het smeedbaar was. Met behulp van hamers werd het ijzer bewerkt. Het ijzer werd ingevoerd uit Zweden, de steenkool kwam uit het Roergebied. Een gewone smid maakte geen wapens, de wapensmeden zaten in het buitenland. Het model zwaard van de stadswacht heette de Bazelaar omdat het gemaakt en gekocht was in Bazel in Zwitserland.
De pottenkoper had aardewerk in voorraad. (In tegenstelling tot de andere ambachten, deze werkten alleen op bestelling.) Hij kocht het aardewerk in Duitsland en verkocht het met flinke winst. Reizen was gevaarlijk en daarom had hij weinig concurrentie. De klei in Nederland was niet geschikt voor waterdicht aardewerk, de oude klei bij Aken en Keulen wel. Bij het bakken versteende deze klei, het leverde sterk en waterdicht aardewerk op, het steengoed.
Het brood dat de bakker bakte was zuurdesembrood. Zuurdesem is een natuurlijk gistmiddel. Het is een papje van water en meel die door het een tijdje te laten staan is verzuurd door de inwerking van bacteriën. (te vergelijken met zure melk.) De oven stond buiten op het erf en werd heet gestookt met takken. Als de oven heet genoeg was werd deze schoongemaakt en het deeg kon er in. Als het brood gaar was blies de bakker op de hoorn, zodat de stedelingen hoorden dat er vers brood was. Als het brood gaar was, was de oven nog heet genoeg om bijvoorbeeld pasteitjes te bakken. De stedelingen hadden zelf geen oven en mochten tegen een kleine vergoeding hun zelfgemaakte gerechten in de oven plaatsen.
De stad stelde een huis beschikbaar voor een chirurgijn en betaalde zijn salaris. Als tegenprestatie behandelde hij gratis de arme mensen van de stad, van de rijkeren werd een bijdrage verwacht. Hij trok kiezen, behandelde wonden (paardenhaar gebruikte hij als hechtdraad), verrichtte aderlatingen, plaatste fontanellen, sneed gezwellen weg en maakte geneesmiddelen van kruiden en mineralen. Verdoving door drank of het inademen van bedwelmende kruiden via een spons was bekend. Hij had een erg scherp mes om mee te scheren.
De Schoenmaker maakte schoenen, tasjes, riemen van rund-, kalfs-, of geitenleer. De schoenen hadden nog geen dubbele zool of hak. De schoenen werden voor iedereen op maat gemaakt. De Middeleeuwse schoen ging niet lang mee, na een paar maanden was de zool versleten.
Aan het eind van de Middeleeuwen ontstonden de Gildes. Een gilde is een groep vakgenoten. Als er zo'n zeven dezelfde of soortgelijke ambachten in de stad waren sloten zij zich aaneen tot een gilde. Er werden prijsafspraken gemaakt, meesterstukken beoordeeld, concurrentie werd tegen gegaan. (geen nieuwe werkplaatsen, tol op de ingevoerde artikelen), werktijden werden bepaald en zelfs werden er voorzieningen troffen voor weduwen en wezen. Men had een eigen patroonheilige met een eigen altaar in de kerk. Men had zijn eigen festiviteiten.
Terug
|