 |
Niet iedereen kan dragen wat hij of zij wil. Ze dragen de kleding die bij het ambacht of de status past. In de 14de eeuw droegen de eenvoudige mensen linnen kleding in de zomer en wollen kleding in de winter.
De rijkere mensen konden zich duurdere stoffen veroorloven, zoals katoen, zijde en brokaat. Zij lieten de kleding bij de Kleermaker maken, de armere mensen maakten hun kleding zelf. De meeste mensen hadden per seizoen twee stel kleren, werkkleding en mooie kleding voor zondag en feestdagen. Bij koud weer droeg men meerdere lagen over elkaar. Bij warm weer weinig lagen maar altijd de armen en benen bedekt.
Aan de voeten droeg men schoenen, laarzen, sloffen, klompen. Bij slecht weer trok men over de schoenen trippen aan, om de schoenen te beschermen.
Omdat gehuwde vrouwen van de kerk hun hoofd te allen tijde dienden te bedekken ( net als de Islamitische vrouwen tot vandaag de dag.) droegen zij buitenshuis, maar ook binnenshuis, over hun vlechten op z'n minst één hoofddoek: het Hovetcleet. Oorspronkelijk was dit een tamelijk grote rechthoekige, meestal witte of naturelkleurige lap stof die om het hoofd en de hals werd gedrapeerd. Om beter te blijven zitten werden ze ook wel op een bepaalde manier geknoopt of vastgespeld.
.
Om de kleding droeg men een riem waaraan men allerlei gebruiksvoorwerpen had hangen die men nodig had. De riem was meestal van leer gemaakt, maar ook touw of geweven band kwamen voor. In Gravendam zult u zien hoe rijker iemand is hoe meer er aan de riem hangt. Aan de riem hingen bijvoorbeeld: tasjes, beurzen, iedereen droeg een mes (nodig voor het eten.), lepels, schaartjes, sleutels (vrouwen) en zelfs al brillenkokers.
Terug
|