Het bestuur. De landsheer die de stadsrechten verleende (verkocht) benoemde zijn vertegenwoordiger in de stad, de "Baljuw" of "Drost" in de grotere steden, de "Schout" in de kleinere steden. De Baljuw of Schout regelden het bestuur van de stad, bijgestaan door de "Schepenen". De schepenen waren "Poorters" (inwoners van een stad.) die door de baljuw of de schout waren aangesteld. De baljuw had dezelfde functie als tegenwoordig de officier van justitie en de schout is te vergelijken met de commissaris van politie. Tevens waren ze belast met de administratie en de regeling van financiële zaken. Er waren nog maar weinig algemene rechtsregels en de regels in de stad verschilden van stad tot stad.
De 14de en de 15de eeuw zaten wat de rechtspleging betreft in een overgangsperiode. De burger nam nog maar al te vaak het recht in eigen hand. Gebruiken als vetes en wraak waren traditioneel diep geworteld. Wanneer er een moord gepleegd was, mocht er wraak genomen worden op elk familielid van de dader. Om vetes tegen te gaan bestonden er verschillende maatregelen waaronder de regel dat een moord op een familielid niet direct gewroken mocht worden. Een afkoelingsperiode van 24 uur was voorgeschreven. De zware criminaliteit heette toen een halsmisdaad en werd behandeld door de Baljuw of Drost, de lichte criminaliteit door de Schout. De Middeleeuwse rechter had een uitgebreid arsenaal van straffen tot zijn beschikking. Van het onderdompelen in kokende olie (voor valsmunterij) tot het in ondergoed vergiffenis vragen. Bij lijfstraffen werd soms dat lichaamsdeel afgesneden waarmee de misdaad was gepleegd. (De duim van een beurzensnijder). De staffen weerspiegelden vaak de misdaad (het verbranden van een brandstichter). Vonnissen werden in de volle openbaarheid voltrokken om als afschrikwekkend voorbeeld te dienen. Maar in de praktijk was een terechtstelling veelal een bron van publiek vermaak. Bij herhaalde diefstaf werd een stuk van het oor afgesneden, het waarschuwde de burgerij "deze man heeft gestolen en is niet te vertrouwen".
Doodstraffen en lijfstraffen kwamen, in afwijking van wat vaak wordt verondersteld, in de Middeleeuwen weinig voor. De dader kon zijn schuld door het betalen van een zoenoffer (afkoping) gevrijwaard blijven van straf. Bij de opsporing van misdadigers werd behalve van de weinig succesvolle oproepen aan de dader om zich aan te geven, gebruik gemaakt van de medewerking van de bevolking die verplicht was om misdadigers aan te geven. Ook werden er beloningen uitgeloofd. Een voortvluchtige doodslaan werd niet bestraft. Gevangenisstraffen kwamen bijna niet voor. De meest voorkomende straffen waren boetedoening door het maken van een pelgrimstocht en verbanning. Verbanning had echter nog wel eens onbedoelde gevolgen. Buiten de steden vormde zich een leger van bannelingen, die regelmatig op rooftocht gingen. Verbanningen bevorderde de misdadigheid op het platteland en in andere steden.
Terug
|